Julie

Julie

Waarom het verbieden van zelfverwonding zelden werkt

In verschillende residentiële afdelingen waar ik verbleef, onder andere twee paaz-afdelingen, werd zelfverwonding verboden. Ze werkten er met een systeem van ‘gele kaarten’. Verwondde je jezelf één keer, dan kreeg je een gele kaart. De tweede keer had je een rode kaart aan je been, en werd je op ontslag gestuurd. Door het gedrag te verbieden, dacht men dat ik het niet meer zou doen. Wat dus niet werkte.

Ik verwondde mezelf en biechtte dit met veel schaamte op aan een verpleegkundige. Ze zei letterlijk: ‘als je aandacht nodig hebt, kom het gewoon zeggen.’ Ik was verbouwereerd en stamelde dat zelfverwonding veel functies kan hebben. Zoals het zichzelf afreageren, zelfbestraffing, psychische pijn omzetten in lichamelijke,…’ Ze zei: ‘ik werk hier al dertig jaar en weet dat jullie dit puur voor de aandacht doen.’ Dit kwetste me enorm.

Voortaan ging ik mezelf dus stiekem verwonden. Ik schaamde me teveel en wilde geen dergelijke reacties meer krijgen, of op ontslag gestuurd worden. Dus ik deed het in het geniep. De wonden liet ik niet verzorgen, waardoor ze lelijk infecteerden, en ik zorgde niet voor mezelf. De schaamte en het schuldgevoel waren zo groot. Verdiende ik wel dat verpleegkundigen hun tijd in mij staken? Verdiende ik hun zorg wel? En waarom werd ik als een aandachtzoeker afgeschilderd? De kennis over opzettelijke zelfverwonding was gering in deze instanties. Achteraf gezien heeft deze aanpak mij totaal niet geholpen. Ik ging mezelf enkel ernstiger verwonden, en voelde steeds meer schaamte om medische en psychologische hulp te zoeken.

Tijdens een volgende opname op diezelfde afdeling, luidde het dreigement dat ik ‘in de isoleercel zou belanden als ik mezelf nog sneed.’ Opnieuw ging ik het stiekem doen. De drang was zo groot en als het bij hulpverlening niet bespreekbaar was, dan loste ik het wel op mijn manier op. Het was een eenzame periode. Ik was opgenomen om hulp te krijgen, maar die ondersteuning was er gewoon niet voldoende. Of niet op de manier die ik nodig had.

Achteraf gezien ben ik best wel kwaad. Ik had nood aan een ander beleid. Ik had geen baat bij stigmatiserende reacties over mensen die zichzelf verwonden. Ik had geen nood aan gebrekkige wondzorg omdat ik ‘het toch zelf had gedaan.’ Ik had nood aan respect. Aan zorg.

Deze ervaring heeft me meer geschaad dan dat ik er baat bij had.

Gelukkig ben ik nu omringd door een team van hulpverleners die het anders aanpakt. Ze juichen zelfverwonding niet toe, maar ze verbieden het ook niet. Ze gaan samen met mij op zoek naar manieren hoe het anders kan. En dat helpt.

Wat zijn jouw ervaringen met het al dan niet verbieden van zelfverwonding?

De kunst van het foert zeggen

Laten we met de deur in huis vallen: ik ben kritisch. Tegenover mezelf vooral. Na een gesprek kan ik eigen woorden en daden urenlang analyseren in de zin van: ‘heb ik wel het juiste gezegd?’ Daarnaast ben ik de moraalridder en ethicus als het op eigen gedrag aankomt. Ik moet naar de normen die ik mezelf opleg handelen. Altijd goed doen. Voor iedereen. Dat is knap lastig. De innerlijke criticaster is doorheen de jaren al veel milder geworden. Steeds vaker leer ik ‘foert’ zeggen. Maar het blijft een kwetsbaarheid. Dat ik altijd goed wil doen, en daarbij mezelf soms vergeet.

Zo zeg ik soms afspraakjes last-minute af omdat ik last heb van vermoeidheid, de clusterhoofdpijn of omdat het gewoon niet gaat. En echte vrienden begrijpen dit wel. Desalniettemin voelt het vaak wel rot. Omdat ik dan niet handel naar wat voor een ander het best is, maar wel naar wat voor mezelf beter is: thuisblijven. En dat strookt niet met mijn wens, bijna dwang om voor de grote ander perfect te zijn.

Jarenlang heb ik mezelf weggecijferd. Ik was extreem perfectionistisch en legde mezelf lam door torenhoge eisen. Drieëntachtig procent op mijn eindwerk in het middelbaar was niet voldoende, ik wilde het opnieuw maken. Omdat ik het gevoel had niet perfect te zijn. Ook hier verlamde ik mezelf door de angst om niet voldoende te zijn. Om tekort te doen.

Meestal bezig zijn met ‘wat de mensen zouden denken.’ Toen ik in de kleuterklas per ongeluk een plastic mes stal -ik had het in mijn broekzak laten zitten na het spelen- heb ik nachtenlang wakker gelegen omdat ik dacht dat de juf me een dief zou vinden. Zo vroeg zat de kunst van het piekeren er al in. De vaardigheid van het loslaten, is nog steeds als een zaadje aan het ontspringen in mijn hoofd. Het komt wel met ouder te worden, die mildheid tegenover mezelf. Maar het blijft een kwetsbaar punt. Denken dat ik tekort doe. Tekort ben. Niet voldoende ben voor een ander.

Mijn studies in het hoger onderwijs zijn niet gelukt. Eerst studeerde ik journalistiek, daarna geschiedenis, en in beiden ‘faalde’ ik. Ik zet ‘falen’ tussen knoerten van aanhalingstekens omdat ik onwijs veel geleerd heb over mezelf tijdens die korte periode van studeren. Ik ben met mijn kop tegen de muur geknald, herhaaldelijk, en ik heb geleerd dat de druk van een hogeschool- of universiteitsstudie voorlopig nog te zwaar is voor me. Intellectueel lukt het. Maar zodra ik ‘moet’ presteren, leg ik mezelf lam. Ik heb mezelf vervloekt en gehaat om die ‘mislukte’ studies. Maar later ben ik gaan relativeren tegenover mezelf. Ik heb voldoende meegemaakt om even rust te verdienen. Om even op adem te komen. Dus ik zeg even ‘foert’. Hoeveel zeer het ook doet dat ik voorlopig nog geen diploma hoger onderwijs op zak heb.

Ik geraak er ook wel. En de innerlijke criticus daalt tot een aanvaardbaar niveau. Ik wil u hoop geven. Meer schuilt in u.

Nu zeg ik voor u allen luidop ‘foert’.

Met enige bibbering in mijn stem.

Maar het mag. ‘Foert’ zeggen mag.

De besmettelijkheid van zelfverwonding

Als dertienjarige begon ik mezelf te verwonden. Aanvankelijk waren de fysieke wonden die ik mezelf toebracht, nog niet zo 'ernstig'. Toch wil ik benadrukken dat de ernst van de -puur fysieke- wonden volgens mij weinig zegt over de ernst van het psychische leed dat eronder zit. Volgens mij is iedere zelfverwonding erg en serieus, ongeacht de diepte of ernst van de wonden. Hoe 'erg' de wonden zijn, zegt niets over de krassen en littekens op je hart.

Toch merkte ik in psychiatrie, voornamelijk in de diensten gespecialiseerd voor kinderen en jongeren, dat er toch een zekere competitie heerste op vlak van zelfverwonding. Het bracht een zekere status met zich mee. Moest je naar het ziekenhuis, dan kreeg je heel veel aandacht van medepatiënten. Soms ook van begeleiding. Moest je gehecht worden, dan hoorde je er echt bij. Dit gevoel heb ik toch bij m'n tijd op K-diensten. Dat er heel wat status samen hing met zelfverwonding. Als je 'het erg deed', dan hoorde je erbij.

Intussen was ik bijna zeventien en kon ik me toch distantiëren van het gebeuren. Ik had geen nood om erbij te horen, maar bij velen was dit anders. Enkele mensen begonnen zich te verwonden toen ze in psychiatrie waren, terwijl ze dit voordien niet deden. Ik vond dit altijd zo somber, dat die gave lijven vernield werden door deels competitiedrang, maar ook door de oorlogen in hun hoofd. Voornamelijk het laatste, denk ik. Maar de competitie van de 'diepste wonden' was vaak aanwezig. En er waren altijd enkele gevoeligere jongeren die weinig identiteit hadden, en van zelfverwonding hun identiteit gingen maken. Begrijpelijk. Niemand verblijft voor niets in kinderpsychiatrie.

Het is zeker niet m'n bedoeling om met de vinger te wijzen. Ik vind het nog steeds naar als ik eraan terugdenk. In psychiatrie viel een deel van je leven van je af. Enkel in het weekend kon je eens naar huis, maar dat was het. School viel weg, vriendschap viel vaak weg, een identiteit opbouwen net als andere pubers, viel ook weg. En dan bleef de destructie over. Bij de laatste instantie waar ik verbleef, was er naar mijn mening ook veel te weinig opvolging. De jongeren zaten 's avonds gewoon bij elkaar zonder begeleiding. En de gesprekken werden alsmaar destructiever.

Ik vind dit allemaal zo jammer. Ik wou dat er toen meer begeleiding was, dat minder jongeren zichzelf gingen verwonden eens ze in kinderpsychiatrie verbleven. Ik wou dat er in plaats van 'kamercontroles', bemoedigende gesprekken plaatsvonden over hoe het ànders kon. Beter kon. Het was zo naar om te zien hoe jonge mensen eronder door gingen, deels door groepsdruk, door erbij willen horen. Wat heel menselijk is op die leeftijd.

Intussen kan ik wel zeggen dat er veel veranderd is bij de instelling waarover ik het hier voornamelijk heb. Beleidsmatig is er heel veel veranderd. Maar toch vind ik het spijtig.

Ik wou dat het anders kon.

Voor als je jezelf nu wil verwonden

Deze blog schrijf ik voor jou. Jij die nu op je kamer zit, op school zit, in de sportclub. Jij die je nu eenzaam voelt en het gevoel hebt dat niemand je begrijpt. Dat je alleen staat met je problemen. Deze blog schrijf ik voor jou, voor als je eraan denkt jezelf opzettelijk te verwonden of je dit af en toe doet. Deze blog schrijf ik voor iedereen die zich weleens rot voelt. Die zich slecht in zijn of haar vel voelt en het gevoel heeft dat de wereld een grote en boze plek om te leven is. Deze blog schrijf ik voor jou, als je moeilijke en negatieve ervaringen achter de rug hebt, zoals pesterijen of misbruik. Maar ook voor iemand die geen moeilijk verleden heeft schrijf ik dit bericht. Jij mag je ook slecht voelen. Je hoeft geen trauma’s hebben opgelopen om je vaak rot te voelen. Het mag.

Weet je. Ook jij hebt het recht je verdrietig, angstig of boos te voelen. Ook jij mag je rot voelen onder situaties die je nu moeilijk kan verwerken: school, je eenzaam voelen in vriendschappen en in deze grote wereld in het algemeen. Je mag je rot voelen omdat je je weg niet vindt in het dagelijkse leven. Je het gevoel hebt helemaal alleen te staan. Het mag, echt waar.

Maar er is ook niet mis met mild zijn voor jezelf. Ook jij mag jezelf de tijd geven om je beter te gaan voelen. Ook jij mag eens praten met een leerkracht, vriend(in) of iemand op het werk. Je hoeft niet het grootste en moeilijkste van jezelf te verwachten. Je hoeft niet perfect te zijn. Het gemiddelde is genoeg. Echt waar. Je hoeft niet overal de beste in te zijn, het meeste vrienden te hebben. Je mag er zijn zoals je bent, in al je kleuren.

Soms kan het voelen alsof niets nog goed loopt, alsof je ganse leven om zeep is. Maar zo is het niet. Er zijn altijd kleine lichtpuntjes, alleen moet je er soms naar op zoek gaan. En jij kan dat, echt waar.

Soms denk je er misschien aan jezelf te verwonden. Of voel je op dit moment de drang om jezelf op de één of andere manier te beschadigen. Lees dan verder. Lees dan deze tekst. En besef dat elk rot gevoel weer overgaat, dat niets blijft zoals het nu is.

Vergelijk de hevige emoties, de negatieve gedachten, de angst, kwaadheid, vergelijk het met een golf. Een woelige zee en een grote golf die over je heen spoelt. Misschien voel je je nu verdrinken, stikken in deze woelige zee waarin je staat. Het leven, het gevecht tegen jezelf en de demonen.

Maar weet dat elke storm voorbijgaat. Ook de storm die nu of later in je hoofd woedt. Aan elke orkaan komt een einde, zelfs de meest hevige. Probeer zo weinig mogelijk schade te betrekken bij de orkaan in je hoofd. Laat het mild worden, wees mild voor jezelf. Elke woelige zee wordt ooit rustig.

En misschien heb je het gevoel dat zelfverwonding nu de enige optie is. Maar dat is het niet. Er zijn zoveel andere manieren om de storm in je hoofd te stoppen. Schrijf, teken, sport, lach, schreeuw, dans, loop, spring gek in het rond, maar doe jezelf geen pijn. Doe jezelf geen pijn.

Ik zou het zo jammer vinden mocht jij jezelf nu verwonden. Er zijn zoveel andere opties, echt waar.

Ik geloof in je.

Tijd voor herstel

Ruim tien jaar lang heb ik diverse therapieën doorlopen. Ik ging met enkele psychologen op pad. Tijdens de eerste jaren van de therapie, bij een psychologe waar ik me niet goed bij voelde, zweeg ik. Ik weigerde te praten omdat het te eng was. Ik vertrouwde die -voor mij- wildvreemde vrouw niet. Ik vond haar vreemd en was te bang om te praten over wat me overkwam. Ik was tenslotte slechts dertien. Dus ik lachte vriendelijk tot het uurtje om was. Veel haalde ik er niet uit. Later kwamen er psychologen op mijn pad die ik wel in mijn hoofd toeliet. Omdat ik langzaam aan de muren ging afbreken. Het vertrouwen in de mensheid groeide. Tijdens mijn eerste opnames in kinderpsychiatrie, praatte ik wel een beetje. Maar veel loste ik niet. ik was nog steeds erg bang, ook al had ik al iets meer vertrouwen in de mensen om me heen.

Het is pas rond mijn negentiende dat ik echt ben beginnen praten. Na een mentale crash zat ik bij mijn nieuwe huisarts, en ik liet haar een tipje van de sluier zien, hoe het eraan toegaat in mijn hoofd. Zij schrok, en verwees me door naar een psycholoog. Dit is intussen vijf jaar geleden. Ik heb nog steeds een sterke band met die psychologe en zie haar ongeveer tweewekelijks. In november ben ik gestart in een centrum voor psychische revalidatie. Ik ben er tot januari geweest, tot de clusterhoofdpijn mijn leven weer zuur begon te maken. Sindsdien ben ik thuis. En dat is vreselijk, lege dagen voor de boeg hebben terwijl mijn hoofd zoveel ideeën heeft. Het lukt alleen niet. Mijn doelen zijn niet realistisch. En dat doet pijn.

Wat me wel opvalt, is dat ik het gevoel krijg dat ik ‘uitgepraat’ ben. Toch als het over ‘graven’ in een traumatische jeugd gaat. Ik wil niet meer met de rakel in m’n verleden wroeten. Ik wil vooruit. En daarom heb ik beslist dat het nu echt tijd is om te herstellen. Wat mijn dagindeling wordt binnenkort, dat weet ik niet. Of ik terug naar het revalidatiecentrum zal gaan of niet. Dat is allemaal nog niet duidelijk. Maar wat ik wel weet, is dat ik wil herstellen. Ik wil naar de laatste fase van m’n behandeling. Leren leven mét trauma in plaats van continu vechten tegen de gebeurtenissen.

Ik denk niet dat de flashbacks, nachtmerries, angsten en depressieve symptomen volledig zullen weggaan. Ze zullen milder worden, dat wel. Maar ik denk niet dat ik ooit onbezorgd en klachtenvrij zal zijn.

Wat herstel voor mij betekent, waar ik naartoe wil, daar schrijf ik later over. Maar in ieder geval kan ik zeggen dat ik er klaar voor ben.

Het leven na zelfverwonding

Ik heb mezelf zo’n tien jaar lang opzettelijk verwond. Die jaren waren vreselijk. Ik denk er niet graag aan terug omdat ze veel verdriet en kwaadheid bij me teweegbrengen. Nu die tien woelige jaren achter de rug zijn, blijven de gevolgen van zelfverwonding wel aanwezig. De drang komt soms nog de kop opsteken, maar ik zoek andere manieren om ermee om te gaan. Ik schrijf en fotografeer over de zaken die in me omgaan. De angst, het verdriet en de kwaadheid die de trauma’s teweegbrengen, probeer ik in constructieve zaken om te zetten.

Men vraagt me vaak of ik spijt heb van alles, zoals de zelfverwonding. En eigenlijk heb ik er wel spijt van. Wat begon met die ene kras op mijn dertiende, eindigde in iets wat wel een verslaving kon genoemd worden. Er bestaat nog veel discussie of zelfverwonding verslavend is. Volgens mij is dit bij iedereen anders en heel individueel. Maar bij mij was er zeker wel een verslavingsaspect aanwezig. Zelfverwonding werd een drug voor mij. Wat begon met zelfverwonding om de traumatische herinneringen te verdringen, eindigde in krassen uit gewoonte. Bij negatieve emoties, eenzaamheid, angst, spannende momenten, verdriet,… Zelfverwonding had vele functies voor mij. Maar langzaam aan kreeg ik het gevoel dat ik niet meer terug kon. Het werd verslavend. Mezelf verwonden was de heroïne die anderen in hun aderen spuiten. Voor mij was het iets waar ik geregeld naar greep, omdat ik kickte op het verdovende effect.

Ik kan het niemand aanraden. Echt niet. Het begint met die ene verwonding en je denkt dat je nog terug kan, maar zo is het niet. Langzaam aan raak je gevangen in het web van de opluchting die het teweeg kan brengen. En er zijn zoveel constructieve manieren om met negatieve emoties, angst, spanning, wat dan ook om te gaan.

Ik heb er spijt van dat ik mezelf ooit verwond heb. Nu leef ik dagelijks met de littekens. Toen ik op de spoedgevallendienst kwam met een hersenschudding, haalde men er een psychiater bij omdat men dacht dat ik mezelf opzettelijk die kwetsuur had toegebracht. Wat helemaal niet waar was. Maar toch dacht men dat, eens de spoedarts de littekens zag, haalde hij een psychiater. Ook al ging het goed met me en verwondde ik mezelf niet meer.

De littekens zorgen voor stigmatiserende reacties. Maar naast eventuele littekens zijn er ook andere zaken waar je na zelfverwonding mee te kampen krijgt. Ik heb vrienden verloren, mensen die me heel nauw aan het hart lagen. Allemaal omdat ik niet begrepen werd en niet kon duidelijk maken wat ik wel nodig had. Een troostende arm rond mijn schouder, in plaats van berispende opmerkingen. Daarnaast hebben mijn studies ook lang op een laag pitje gestaan. Omdat ik door de zelfverwonding vaak opgenomen moest worden.

Natuurlijk komt zelfverwonding niet alleen. Het gaat vaak samen met hele moeilijke emoties en situaties. Ik verwondde mezelf niet voor het plezier. Het is daarom zo belangrijk om hulp te zoeken. Wees nooit te trots om hulp te zoeken. Het is zo jammer alleen te blijven met al je moeilijke gedachten en emoties. Mensen die professionele hulp zoeken zijn niet gek of wat dan ook. Ze hebben iemand nodig die luistert, die helpt zoeken hoe het anders kan, beter kan. En ook voor jou kan het anders, echt waar. Als je deze blog leest en je slecht voelt of jezelf verwondt, weet dan dat je er niet alleen voor staat. Zoek hulp. Bij de huisarts, het Centrum voor Leerlingenbegeleiding, een psycholoog of psychiater,..

Het kan beter, anders. Echt waar. Ook voor jou.

Er kroop een monster in mijn hoofd

Er sloop een monster in mijn hoofd, zijn naam was zelfverwonding

Al vanaf mijn vijfde levensjaar sloop er langzaam aan een dier in mijn hoofd. Geen mooi en schattig dier, niet pluizig en lief. Het was een monster, een lelijk exemplaar dan nog, dat zich langzaam aan in mijn brein nestelde. Ik werd regelmatig getraumatiseerd. Hierdoor vertelde het monster me dat ik minder waard was dan mijn vriendjes in de lagere school. Minder waard was dan mijn broer en zus. Regelmatig voelde ik een heel lage zelfwaardering. En doorheen de jaren werd dit enkel erger.

Op mijn elfde namen mijn ouders me mee naar een psycholoog. Ik had last van woedeaanvallen en opstandig gedrag, en daar maakten mijn ouders zich zorgen over. Ik had een hekel aan psychologen, dacht dat enkel gekke mensen erheen gingen. Ik dacht dat ik compleet losgeslagen was, van lotje getikt. Een psycholoog? Ik? Dat kon toch helemaal niet waar zijn. Eenmaal ik in het kantoortje van de strenge man zat, speelde ik toneel. Niemand mocht weten wat mij overkwam. Het moest een geheim blijven. De psycholoog zag niet dat ik toneel speelde, ik verwijt hem niets, toneel spelen kan ik nu eenmaal goed. En hij zei dat er niets aan de hand was met me. Dat mijn ouders alleen wat strenger moesten zijn op me.

Intussen gingen de trauma’s verder. Tot ik dertien was. Na een traumatische gebeurtenis was ik helemaal ondersteboven. Het monster sprak me toe, zei dat ik mezelf opzettelijk moest verwonden. En dat deed ik. Eerst voelde ik me opgelucht. Maar al snel kwam het schuldgevoel. Ik wist niets af van zelfverwonding, wist niet dat andere mensen dit ook deden. Ik zweeg, verborg de wondjes onder lange mouwen en zei niets.

Zo is het enkele jaren verder gegaan. Ik kon de wonden goed verborgen houden, en niemand wist iets. Het snijden gaf me een gevoel van opluchting. Alleen duurde dat gevoel maar enkele minuten. Al snel kwam de zelfhaat, de schaamte, het schuldgevoel. Ik durfde er met niemand over praten en dat was erg eenzaam, misschien wel de meest eenzame periode van mijn leven.

Op mijn veertiende, in het derde middelbaar, werden de krassen op mijn arm toevallig ontdekt tijdens de praktijkles op school. Een medeleerling zag het en sloeg alarm bij de klastitularis. Zo kwam ik bij de leerlingenbegeleider terecht. En daarna bij het CLB. Hoe goed die mensen me ook probeerden te helpen, ik liet hun hulp niet toe. Het geheim van de trauma’s woog te zwaar. Ik wilde niet dat zij het wisten.

Een jaar later, op mijn vijftiende, werd ik voor het eerst opgenomen. Ik had nog nooit een psychiater van dichtbij gezien, laat staan een speciaal geval als deze. De man had alles wat je als leek van een psychiater zou denken. Zonderling. Ik verbleef 18 weken op de afdeling voor kinderpsychiatrie. Eindelijk kon ik praten over de trauma’s, tot in hoeverre dat lukte. Toch bleef ik voorzichtig. Ik was bang dat men mij niet zou geloven. Bang om afgewezen te worden. Daarna volgden nog enkele jaren vol opnames. Hier schrijf ik niet graag over omdat ze voor mij niet zo prettig waren. Ik strooi liever optimisme in het rond, dan dat ik pessimistisch blijf.

Gelukkig trof ik op mijn negentiende een psychologe die me begreep. Omdat ik dan volwassen was, voelde ik me veel autonomer en kon ik zélf beslissen wat er met mijn verhaal gebeurde. De eerste gesprekken bij de psychologe waren niet gemakkelijk. Ik probeerde de moeilijke onderwerpen te vermijden, en ging mezelf veel vrolijker voordoen dan ik was.

Nu ligt het eerste gesprek bij de psychologe vier jaar achter me. Het gaat beter met me. Ik ga niet zeggen dat alles al perfect gaat. Maar wat is perfectie, bestaat dat, en moet je dan per se perfect zijn. Voor mij is de middenmoot goed genoeg. Zo lang de diepe dalen afwezig zijn, ben ik al heel tevreden.

Het monster zit nog steeds in mijn hoofd, dat moet ik wel bekennen. Ook al ben ik nu getrouwd met de liefste van de wereld. Toch blijft het monster aanwezig. Het blijft vechten om mezelf niet meer te verwonden, maar het lukt. Mijn leven is er zoveel mooier op geworden, doorheen de jaren. Van een heel onveilige situatie naar een veilige thuis. Ik had nooit durven dromen dat ik ooit ging staan waar ik nu sta: getrouwd, aan het studeren, en met vele hobby’s.

Het is mogelijk, ook voor jou!

Ook jij kan ons je herstelverhaal of blog doorsturen op buddy@verwonderd.be.