‘’I don’t know why I do it every time. It's only when I'm lonely. Sometimes I just want to cave and I don't want to fight. I try and I try and I try… Just hold me, I’m lonely.’’

Deze blog schrijf ik met trillende handen en met een klein hart. Tranen in mijn ogen omdat het weer zover is.

Soms begrijp ik niet wat me overkomt. Een paar weken gaat het goed, dan weer slecht.
Angsten en slechte gedachten die me 24/24 achtervolgen.
Het is een kunst om telkens opnieuw hetzelfde voor te hebben en er niets mee te doen. Therapie is te vermoeiend en na mijn werk heb ik daar echt geen zin meer in.
Het doet gewoon ook te veel pijn om het verleden achter mij te laten. Ook mijn omgeving levert weinig begrip op voor mijn angst- en eetstoornis. Ik kan gewoon maar geen afscheid nemen van alles wat zelfdestructief is. Maar ik weet dat ik hier ooit eens verandering in zal moeten brengen. Ik mag niet opgeven. Maar ik kan het gewoon echt niet meer alleen.

Ik ben vandaag gefaald. Het snijden is terug na 4 maanden ‘clean’ geweest te zijn. Ik ben al enkele weken depressief en slaap amper. De paar uurtjes slaap die ik toch heb, zijn weinig verkwikkend. Nachtmerries over mijn angsten keren herhaaldelijk terug. Ik word huilend wakker en ben dan doodmoe. Mijn dagen gaan traag voorbij en het voelt allemaal even te veel aan.

Herstel probeer ik na te streven, maar het gaat moeilijk in een wereld die zoveel druk op mijn schouders zet. Ben ik wel goed genoeg voor dit leven? Zou het niet beter zijn als men van me af is? Wat met een nutteloos leven zoals het mijne? Deze vragen zitten iedere seconde van de dag door mijn hoofd te spoken.

En toch sta ik hier nog, na reeds 9 jaar dit gevecht aan te gaan met mezelf. Herstel lijkt mijlenver vanaf hier. Maar ik zal blijven doorzetten, voor de weinige hoop die nog rest. En voor mijn omgeving. Mijn wonden zullen straks helen en morgen start ik opnieuw met een schone lei. In de hoop dat alles ooit eens beter zal gaan. In de hoop dat de kunst van het hervallen zich zal keren in de kunst van het herstellen.

Door F.

Je kent het wel. Je moet iets doen. Je moet presteren. De perfecte moment om extra aan jezelf te beginnen twijfelen. Een moment dat je niet weet of je de capaciteiten wel hebt om in je opdracht te slagen. Of het nu een examen is, een therapiesessie of iets helemaal anders, ieder van ons heeft het wel eens meegemaakt. Faalangst. Ikzelf heb er zeer veel last van. Angst om niet goed genoeg te zijn of om het niet goed genoeg te doen. Het zorgt voor ongelooflijk veel stress. En meestal zorgt het er ook voor dat ik al faal voor ik begin. Het is dus een moeilijk gegeven. De onzekerheid die er bij mij mee in speelt is vaak ondraaglijk. Vaak super lastig. Mijn hart klopt sneller en men handen gaan beven. Ik begin allerlei doemscenario's in mijn hoofd te steken en word daardoor nog angstiger. Faalangst is dus alles behalve leuk en aangenaam. Hoe ga ik ermee om? Ik toets vaak af bij anderen of ik juist bezig ben. Ik heb bevestiging nodig. Ik zeg het ook duidelijk. Dat ik bang ben om het niet goed te doen. Dat ik onzeker ben. Het begrip is dan groter bij anderen dan dat je het verbergt. Ik probeer dus om mezelf erover te zetten. Om mezelf NIET te laten falen voor ik eraan begin. Ik doe mijn best. Dikke kus Margot

Iedereen probeert telkens opnieuw de passende afleiding te zoeken wanneer de drang tot zelfverwonding de kop weer op steekt. Vaak is dat een hele zoektocht en gaat dat gepaard met trail and error. Soms werkt een afleidingsmethode, soms niet. Ik vind de zoektocht naar een gepast alternatief moeilijk. Vaak probeer ik mijn gedachten ergens anders op te focussen door bijvoorbeeld kruiswoordraadsels in te vullen, maar daar kom ik lang niet altijd toe. Als de stemmen in mijn hoofd te luid roepen, dan kan ik niet eens mijn focus verleggen. Dat is waarschijnlijk bij de meerderheid van ons het geval.

Telkens wanneer je denkt dat je een manier hebt gevonden om jezelf af te leiden, blijkt die methode al niet meer te werken. Het is vooral belangrijk dat je (eventueel samen met een psycholoog of zo) op zoek gaat naar wat jou het beste helpt. Dat probeerde ik ook. Samen met mijn psycholoog probeerden we tientallen methodes uit, maar niets was sterk genoeg om de stemmen in mijn hoofd te overmeesteren.  Tot op de dag dat ik ontdekte dat de beste hulpverleners al jaren trouw aan mijn zijde staan: mijn dieren.

Gaandeweg ging ik met mijn dieren aan de slag als methode om zelfverwondingsdrang tegen te gaan. Zoals jullie wel weten verloopt het experimenteren altijd met ups en downs, maar de dieren zorgden ervoor dat ik een uitlaatklep vond. Ze vormen een steun voor me die ik niet kan missen. Daarom heb ik dan ook ‘een hele zoo’ zoals mensen het wel eens noemen (tot grote frustratie van mijn ouders J ). Een hamster, paarden, vogels, vissen en een hond. Een hele hoop therapeuten dus. Vind ik geen rust bij mijn hamster, dan vind ik misschien wel rust bij mijn hond.

Dieren geven altijd de liefde die je nodig hebt. Eens ze je vertrouwen staan ze voortdurend aan je zijde en doen ze er alles aan om je weer op weg te helpen. Bovendien bieden ze troost en luisteren ze altijd met volle aandacht, wat je van mensen niet altijd kan zeggen. Daarom is het zo’n goed alternatief voor automutilatie.

Heb jij al eens ‘geëxperimenteerd’ met dieren? Zeker doen! Meestal zijn het de beste hulpverleners. Zo nam ik mijn hond zelfs mee naar school toen ik niet meer op school raakte. Ze gaf me de rust en een veilig gevoel. En precies dat doet wonderen.

Heb je zelf geen dieren? Waarom maak je niet eens een wandeling met een asielhondje? Jij kan je gedachtes verzetten en je maakt er bovendien iemand zéér gelukkig mee. De dankbaarheid die je van een asielhondje kan krijgen, maakt direct je dag wat beter. Lukt het even niet om je huis te verlaten? Even in de tuin zitten en kijken naar de voorbijvliegende vogels is misschien wel een optie. Fan van paarden? Wat dacht je van therapie met deze magische beesten? Ze voelen sneller dan jijzelf hoe je je voelt en gaan daar dan ook op reageren. Dat klinkt misschien niet echt comfortabel, maar je leert er onbekende stukjes van jezelf kennen. Bovendien ga je steviger in je eigen schoenen staan.

Lieve jij, probeer te zoeken naar wat voor jou het beste helpt, want ooit zal je zoektocht beloond worden. Helpen dieren niet voor jou, dan vind je vast wel iets anders dat je meer ligt. Je verdient het om van je eigen lichaam te houden en trots te zijn op wie je bent, want je bent het echt wel waard!

In verschillende residentiële afdelingen waar ik verbleef, onder andere twee paaz-afdelingen, werd zelfverwonding verboden. Ze werkten er met een systeem van ‘gele kaarten’. Verwondde je jezelf één keer, dan kreeg je een gele kaart. De tweede keer had je een rode kaart aan je been, en werd je op ontslag gestuurd. Door het gedrag te verbieden, dacht men dat ik het niet meer zou doen. Wat dus niet werkte.

Ik verwondde mezelf en biechtte dit met veel schaamte op aan een verpleegkundige. Ze zei letterlijk: ‘als je aandacht nodig hebt, kom het gewoon zeggen.’ Ik was verbouwereerd en stamelde dat zelfverwonding veel functies kan hebben. Zoals het zichzelf afreageren, zelfbestraffing, psychische pijn omzetten in lichamelijke,…’ Ze zei: ‘ik werk hier al dertig jaar en weet dat jullie dit puur voor de aandacht doen.’ Dit kwetste me enorm.

Voortaan ging ik mezelf dus stiekem verwonden. Ik schaamde me teveel en wilde geen dergelijke reacties meer krijgen, of op ontslag gestuurd worden. Dus ik deed het in het geniep. De wonden liet ik niet verzorgen, waardoor ze lelijk infecteerden, en ik zorgde niet voor mezelf. De schaamte en het schuldgevoel waren zo groot. Verdiende ik wel dat verpleegkundigen hun tijd in mij staken? Verdiende ik hun zorg wel? En waarom werd ik als een aandachtzoeker afgeschilderd? De kennis over opzettelijke zelfverwonding was gering in deze instanties. Achteraf gezien heeft deze aanpak mij totaal niet geholpen. Ik ging mezelf enkel ernstiger verwonden, en voelde steeds meer schaamte om medische en psychologische hulp te zoeken.

Tijdens een volgende opname op diezelfde afdeling, luidde het dreigement dat ik ‘in de isoleercel zou belanden als ik mezelf nog sneed.’ Opnieuw ging ik het stiekem doen. De drang was zo groot en als het bij hulpverlening niet bespreekbaar was, dan loste ik het wel op mijn manier op. Het was een eenzame periode. Ik was opgenomen om hulp te krijgen, maar die ondersteuning was er gewoon niet voldoende. Of niet op de manier die ik nodig had.

Achteraf gezien ben ik best wel kwaad. Ik had nood aan een ander beleid. Ik had geen baat bij stigmatiserende reacties over mensen die zichzelf verwonden. Ik had geen nood aan gebrekkige wondzorg omdat ik ‘het toch zelf had gedaan.’ Ik had nood aan respect. Aan zorg.

Deze ervaring heeft me meer geschaad dan dat ik er baat bij had.

Gelukkig ben ik nu omringd door een team van hulpverleners die het anders aanpakt. Ze juichen zelfverwonding niet toe, maar ze verbieden het ook niet. Ze gaan samen met mij op zoek naar manieren hoe het anders kan. En dat helpt.

Wat zijn jouw ervaringen met het al dan niet verbieden van zelfverwonding?

Ik ben zaterdag naar de zee geweest, mijn oma, opa en ik hebben zeven kilometer gewandeld. Het was warm. De zon scheen fel, er waren amper wolken te bespeuren en het water had een perfecte temperatuur om erdoor te wandelen.

Maar de opgave lag natuurlijk ergens helemaal anders. Het was wel lang geleden dat ik nog onder de mensen gekomen was, dat ik nog mezelf getoond heb in het openbaar. Het was overweldigend om weer onder de mensen te komen. Het voelde heel even alsof de menigte helemaal op mij af kwam (het was nochtans niet zó ontzettend druk), maar het was veel prikkels in één. Het voelde alsof iedereen naar me keek. En dat zal misschien ook wel zo geweest zijn, want ik had een topje en short aan. Als in: al mijn littekens en onzekere deeltjes van mijn lichaam waren te zien voor iedereen. Achteraf voelde ik me trots, maar tijdens de wandeling en toen we op het terrasje zaten voelde het redelijk ongemakkelijk.

Ik kon me in het begin heel moeilijk niet focussen op de mensen die keken. Maar door te babbelen met oma en opa, mijn hoofd een klein beetje uit te schakelen en met mijn hele zijn te genieten, lukte dit al stukken beter. Het blijft onwennig, weet je? Mensen kijken. Maar de meeste mensen kijken niet om te kijken, maar kijken omdat ze gewoon niet snappen of kennen. Ze weten er niets over behalve de verkeerde dingen. (Als in: Dat ik gevaarlijk ben, en gek)

Ik was ook ontzettend onzeker over mijn lichaam. Wat ik steeds ben bij korte broeken en topjes. Ik vind dat je dan elk stukje van mijn lichaam ziet dat té dik, té lelijk, niet strak genoeg is. Maar wat ik ook weet, is dat die onzekerheid vooral tussen mijn oren zit. Ik ben wie ik ben, en eigenlijk zou ik trots moeten zijn waar dit lichaam al overal doorheen heeft moeten gaan en er toch nog staat. Ik heb gevechten gewonnen én verloren. Maar dat wil niets zeggen.

Ik heb genoten. Laat dat het belangrijkste zijn. Ik heb mijn hoofd kunnen leegmaken en mijn zorgen kunnen laten wegvoeren met de stroming van de zee. De zee was redelijk rustig. Net als ik. En het deed deugd, heel veel deugd om even niet te hoeven piekeren en om mezelf het even toe te laten dat ik me goed voelde. Ik was vooral doodmoe achteraf. Maar ook dat is oké. Want ik ben het niet meer gewoon. Het is oké om achter een drukke dag de zetel in te duiken en niets meer te doen. Het is oké dat ik mezelf een zalige douche gegund heb en niet heb stilgestaan bij eventuele gevaren. Het is oké dat ik genoten heb.

Ik heb een schitterend weekend achter de rug. En ik ben moe maar tevreden. Ik mag er trots op zijn hoe ik mij door dit toch drukke weekend gesleept heb. En toch nog kunnen genieten heb! Want even ter informatie: Ik ben zeven dagen clean. En dat lijkt misschien niet lang, maar voor mij is dit een grote stap, een grote stap in de goeie richting. En ik ben trots. Trots op mezelf. Heel even, maar heel intens. Ik mag dit. Ik mag mezelf positiviteit gunnen. Het is oké.

Hoe ga jij om met eventuele littekens, onzekerheid en de zomer?

Dikke kus,

Margot

Laten we met de deur in huis vallen: ik ben kritisch. Tegenover mezelf vooral. Na een gesprek kan ik eigen woorden en daden urenlang analyseren in de zin van: ‘heb ik wel het juiste gezegd?’ Daarnaast ben ik de moraalridder en ethicus als het op eigen gedrag aankomt. Ik moet naar de normen die ik mezelf opleg handelen. Altijd goed doen. Voor iedereen. Dat is knap lastig. De innerlijke criticaster is doorheen de jaren al veel milder geworden. Steeds vaker leer ik ‘foert’ zeggen. Maar het blijft een kwetsbaarheid. Dat ik altijd goed wil doen, en daarbij mezelf soms vergeet.

Zo zeg ik soms afspraakjes last-minute af omdat ik last heb van vermoeidheid, de clusterhoofdpijn of omdat het gewoon niet gaat. En echte vrienden begrijpen dit wel. Desalniettemin voelt het vaak wel rot. Omdat ik dan niet handel naar wat voor een ander het best is, maar wel naar wat voor mezelf beter is: thuisblijven. En dat strookt niet met mijn wens, bijna dwang om voor de grote ander perfect te zijn.

Jarenlang heb ik mezelf weggecijferd. Ik was extreem perfectionistisch en legde mezelf lam door torenhoge eisen. Drieëntachtig procent op mijn eindwerk in het middelbaar was niet voldoende, ik wilde het opnieuw maken. Omdat ik het gevoel had niet perfect te zijn. Ook hier verlamde ik mezelf door de angst om niet voldoende te zijn. Om tekort te doen.

Meestal bezig zijn met ‘wat de mensen zouden denken.’ Toen ik in de kleuterklas per ongeluk een plastic mes stal -ik had het in mijn broekzak laten zitten na het spelen- heb ik nachtenlang wakker gelegen omdat ik dacht dat de juf me een dief zou vinden. Zo vroeg zat de kunst van het piekeren er al in. De vaardigheid van het loslaten, is nog steeds als een zaadje aan het ontspringen in mijn hoofd. Het komt wel met ouder te worden, die mildheid tegenover mezelf. Maar het blijft een kwetsbaar punt. Denken dat ik tekort doe. Tekort ben. Niet voldoende ben voor een ander.

Mijn studies in het hoger onderwijs zijn niet gelukt. Eerst studeerde ik journalistiek, daarna geschiedenis, en in beiden ‘faalde’ ik. Ik zet ‘falen’ tussen knoerten van aanhalingstekens omdat ik onwijs veel geleerd heb over mezelf tijdens die korte periode van studeren. Ik ben met mijn kop tegen de muur geknald, herhaaldelijk, en ik heb geleerd dat de druk van een hogeschool- of universiteitsstudie voorlopig nog te zwaar is voor me. Intellectueel lukt het. Maar zodra ik ‘moet’ presteren, leg ik mezelf lam. Ik heb mezelf vervloekt en gehaat om die ‘mislukte’ studies. Maar later ben ik gaan relativeren tegenover mezelf. Ik heb voldoende meegemaakt om even rust te verdienen. Om even op adem te komen. Dus ik zeg even ‘foert’. Hoeveel zeer het ook doet dat ik voorlopig nog geen diploma hoger onderwijs op zak heb.

Ik geraak er ook wel. En de innerlijke criticus daalt tot een aanvaardbaar niveau. Ik wil u hoop geven. Meer schuilt in u.

Nu zeg ik voor u allen luidop ‘foert’.

Met enige bibbering in mijn stem.

Maar het mag. ‘Foert’ zeggen mag.

Twee jaar en een half geleden wenste ik dat ik 2016 niet meer zou meemaken. Nu, in 2018, ben ik er nog steeds. Of ik blij ben dat ik er nog ben? Daar kan ik geen antwoord op geven. Of ik wil vechten voor mijn leven? Natuurlijk, opgeven staat niet meer in mijn woordenboek.

Ik ben Lot, een 17-jarig meisje. Zot van dieren, vooral paarden en honden, en creatief. Vaak denken volwassenen dat een persoon van 17 jaar nog niets heeft meegemaakt in zijn leven. “Het echte leven moet nog komen”, zeggen ze vaak. Mijn gevoel is anders, ik heb al te veel meegemaakt. Mijn hele geschiedenis is te lang en te gecompliceerd om hier neer te typen, maar er zijn toch enkele momenten die ik nooit meer zal vergeten.

Zo werd ik in november 2015 ‘gediagnosticeerd’ met een angststoornis, hoogbegaafdheid, hoogsensitiviteit en suïcidaliteit. Bovendien deed ik aan zelfbeschadiging en was ik extréém perfectionistisch. Medicatie werd opgestart en ik probeerde verschillende therapieën, maar durfde niemand in vertrouwen te nemen. Na het krijgen van mijn ‘diagnose’ veranderde dat. De therapeut waarbij ik de persoonlijkheidstesten aflegde, is tot op de dag van vandaag mijn reddende engel. Zonder haar zou ik hier niet staan. Jammer genoeg had ik in het begin nog veel problemen met communicatie. Ik zat in mijn eigen wereld waar niemand in kon doordringen. Het ging van kwaad naar erger. 26 februari 2016 werd ik opgenomen. Ik was niet meer veilig voor mezelf. Ik ging niet meer naar school. Mijn zelfbeschadiging werd steeds zwaarder en mijn ouders vertrouwden me niet meer.

Na mijn opname had ik het zwaar om terug in het normale ritme te raken. Ik raakte meerdere keren in het ziekenhuis ten gevolge van mijn zelfbeschadiging. Op school had Ik geen vrienden meer, want tijdens mijn opname waren er talloze verhalen over mij rondgegaan. Daarom besloot ik om van richting te veranderen. Die overgang deed me goed. Ik kon een nieuwe start nemen. Een jaar lang ging alles prima. De medicatie werd afgebouwd en ik moest slecht 1 keer per maand naar de therapie.

Totdat ik in het 6e middelbaar kwam en me dood verveelde. Al snel stak mijn angststoornis weer de kop op en ging ik niet meer naar school. Een crisisopname was nodig, maar daar bleef ik maar een dag, omdat ik niet openstond voor de opname. Sinds die dag probeer ik weer wat te maken van mijn leven. Ik ga weer voltijds naar school en ik blijf doorzetten. Ondertussen ben ik al enkele maanden vrij van zelfbeschadiging. Mijn angststoornis is voorlopig nog het grootste probleem. Daarom volg ik nu nog steeds intensieve gesprekstherapie en equicoaching. Ik neem nog steeds mijn medicatie, maar stap voor stap raak ik er wel. Raken we er wel, want samen staan we veel sterker. Deze website is hier het bewijs van en ik voel me dan ook zeer vereerd dat ik hier mag bloggen. Ieder van ons heeft een vechtertje in zich, daar ben ik zeker van. Mijn motto? You were given this life because you are strong enough to live it

Als dertienjarige begon ik mezelf te verwonden. Aanvankelijk waren de fysieke wonden die ik mezelf toebracht, nog niet zo 'ernstig'. Toch wil ik benadrukken dat de ernst van de -puur fysieke- wonden volgens mij weinig zegt over de ernst van het psychische leed dat eronder zit. Volgens mij is iedere zelfverwonding erg en serieus, ongeacht de diepte of ernst van de wonden. Hoe 'erg' de wonden zijn, zegt niets over de krassen en littekens op je hart.

Toch merkte ik in psychiatrie, voornamelijk in de diensten gespecialiseerd voor kinderen en jongeren, dat er toch een zekere competitie heerste op vlak van zelfverwonding. Het bracht een zekere status met zich mee. Moest je naar het ziekenhuis, dan kreeg je heel veel aandacht van medepatiënten. Soms ook van begeleiding. Moest je gehecht worden, dan hoorde je er echt bij. Dit gevoel heb ik toch bij m'n tijd op K-diensten. Dat er heel wat status samen hing met zelfverwonding. Als je 'het erg deed', dan hoorde je erbij.

Intussen was ik bijna zeventien en kon ik me toch distantiëren van het gebeuren. Ik had geen nood om erbij te horen, maar bij velen was dit anders. Enkele mensen begonnen zich te verwonden toen ze in psychiatrie waren, terwijl ze dit voordien niet deden. Ik vond dit altijd zo somber, dat die gave lijven vernield werden door deels competitiedrang, maar ook door de oorlogen in hun hoofd. Voornamelijk het laatste, denk ik. Maar de competitie van de 'diepste wonden' was vaak aanwezig. En er waren altijd enkele gevoeligere jongeren die weinig identiteit hadden, en van zelfverwonding hun identiteit gingen maken. Begrijpelijk. Niemand verblijft voor niets in kinderpsychiatrie.

Het is zeker niet m'n bedoeling om met de vinger te wijzen. Ik vind het nog steeds naar als ik eraan terugdenk. In psychiatrie viel een deel van je leven van je af. Enkel in het weekend kon je eens naar huis, maar dat was het. School viel weg, vriendschap viel vaak weg, een identiteit opbouwen net als andere pubers, viel ook weg. En dan bleef de destructie over. Bij de laatste instantie waar ik verbleef, was er naar mijn mening ook veel te weinig opvolging. De jongeren zaten 's avonds gewoon bij elkaar zonder begeleiding. En de gesprekken werden alsmaar destructiever.

Ik vind dit allemaal zo jammer. Ik wou dat er toen meer begeleiding was, dat minder jongeren zichzelf gingen verwonden eens ze in kinderpsychiatrie verbleven. Ik wou dat er in plaats van 'kamercontroles', bemoedigende gesprekken plaatsvonden over hoe het ànders kon. Beter kon. Het was zo naar om te zien hoe jonge mensen eronder door gingen, deels door groepsdruk, door erbij willen horen. Wat heel menselijk is op die leeftijd.

Intussen kan ik wel zeggen dat er veel veranderd is bij de instelling waarover ik het hier voornamelijk heb. Beleidsmatig is er heel veel veranderd. Maar toch vind ik het spijtig.

Ik wou dat het anders kon.

“We must take time to define our own path. Too quickly we can find the world defining it for us”

Het is officieel, warm weer, iedereen gaat buiten zitten, gezellig picknicken. Mensen zijn blij en vrolijk door deze prachtige dagen. Maar bij mij is dit anders. Ja, ik kom ontzettend graag buiten! Het geeft me ruimte om te ademen, ruimte om “ik” te zijn. Lange wandelingen, oortjes in, gedachten op nul. En gaan! Het is altijd zo geweest. En ik mis die tijden ook echt heel hard. Maar het ligt anders nu. Ik vind het lastig om steeds mezelf te “moeten” verstoppen. Waarom zet ik moeten tussen aanhalingstekens? Omdat het iets is dat ik van mezelf moet. Wat mijn omgeving ervan denkt zou me eigenlijk niks mogen schelen! Maar was het maar zo gemakkelijk. Ik ben mezelf als ik buiten ben, en toch blijft het kleine stukje knagen. Want je kan jezelf toch niet zijn als je je altijd voor alles en iedereen verbergt achter lange mouwen en lange broeken? Overal zeggen dat de warmte “wel meevalt” en dat je een “kouwelijke” bent. Het is een constante strijd tussen mijn monsters en mij. Ik zou heel graag eens gaan zwemmen, eens lekker genieten van dit weer. Maar dat is zo een strijd.  Want geef me eens een antwoord op de vraag die je duizend keer krijgt als je het niet verbergt. Namelijk: “Wat is dat/wat is er gebeurd? Of wil je er niet over praten?” Het is duidelijk dat die persoon het ergens wel weet, maar het niet uit durft te spreken. Of de “grapjes” die soms wel wat ongepast zijn. “Heb je ruzie gehad met de kaasschaaf?” Ik lach wel eens graag met mijn eigen problematieken, maar geef toe dat er een grens is. Het is vooral moeilijk om die grens te ontdekken. Want wat vind ik wel grappig, en een ander dan weer niet?

Met andere woorden, deze dagen zijn niet gemakkelijk. Ondanks ik opgenomen ben, en niet alleen buiten mag, doet het wel steeds zeer om mensen te zien genieten van dit weer. De zon op mijn gezicht geeft me een innerlijke rust. De helderblauwe lucht, de geur van de natuur. Ik hou er zo ontzettend van.

Ik merk dat ik mij daar alleen in voel. Terwijl ik wel weet dat er veel andere mensen ook met dit issue worstelen. Hoe langer ik me verberg, hoe moeilijker ik het vind om toch eens de stap te proberen zetten. Het verlangen naar de mooie lange zomeravonden en gezellige momenten blijft.

Maar ik weet ook wel dat het grootste deel in mijn handen ligt. Dat ik mijzelf moet leren aanvaarden hoe ik ben voor ik het van anderen kan verwachten. Maar die weg lijkt lang, en heel onbereikbaar. Ik moet de juiste “wandelschoenen” nog vinden om op dit pad te durven gaan.  Maar ik probeer. En dat is genoeg voor nu.

Kus

Margot

Er sloop een monster in mijn hoofd, zijn naam was zelfverwonding

Al vanaf mijn vijfde levensjaar sloop er langzaam aan een dier in mijn hoofd. Geen mooi en schattig dier, niet pluizig en lief. Het was een monster, een lelijk exemplaar dan nog, dat zich langzaam aan in mijn brein nestelde. Ik werd regelmatig getraumatiseerd. Hierdoor vertelde het monster me dat ik minder waard was dan mijn vriendjes in de lagere school. Minder waard was dan mijn broer en zus. Regelmatig voelde ik een heel lage zelfwaardering. En doorheen de jaren werd dit enkel erger.

Op mijn elfde namen mijn ouders me mee naar een psycholoog. Ik had last van woedeaanvallen en opstandig gedrag, en daar maakten mijn ouders zich zorgen over. Ik had een hekel aan psychologen, dacht dat enkel gekke mensen erheen gingen. Ik dacht dat ik compleet losgeslagen was, van lotje getikt. Een psycholoog? Ik? Dat kon toch helemaal niet waar zijn. Eenmaal ik in het kantoortje van de strenge man zat, speelde ik toneel. Niemand mocht weten wat mij overkwam. Het moest een geheim blijven. De psycholoog zag niet dat ik toneel speelde, ik verwijt hem niets, toneel spelen kan ik nu eenmaal goed. En hij zei dat er niets aan de hand was met me. Dat mijn ouders alleen wat strenger moesten zijn op me.

Intussen gingen de trauma’s verder. Tot ik dertien was. Na een traumatische gebeurtenis was ik helemaal ondersteboven. Het monster sprak me toe, zei dat ik mezelf opzettelijk moest verwonden. En dat deed ik. Eerst voelde ik me opgelucht. Maar al snel kwam het schuldgevoel. Ik wist niets af van zelfverwonding, wist niet dat andere mensen dit ook deden. Ik zweeg, verborg de wondjes onder lange mouwen en zei niets.

Zo is het enkele jaren verder gegaan. Ik kon de wonden goed verborgen houden, en niemand wist iets. Het snijden gaf me een gevoel van opluchting. Alleen duurde dat gevoel maar enkele minuten. Al snel kwam de zelfhaat, de schaamte, het schuldgevoel. Ik durfde er met niemand over praten en dat was erg eenzaam, misschien wel de meest eenzame periode van mijn leven.

Op mijn veertiende, in het derde middelbaar, werden de krassen op mijn arm toevallig ontdekt tijdens de praktijkles op school. Een medeleerling zag het en sloeg alarm bij de klastitularis. Zo kwam ik bij de leerlingenbegeleider terecht. En daarna bij het CLB. Hoe goed die mensen me ook probeerden te helpen, ik liet hun hulp niet toe. Het geheim van de trauma’s woog te zwaar. Ik wilde niet dat zij het wisten.

Een jaar later, op mijn vijftiende, werd ik voor het eerst opgenomen. Ik had nog nooit een psychiater van dichtbij gezien, laat staan een speciaal geval als deze. De man had alles wat je als leek van een psychiater zou denken. Zonderling. Ik verbleef 18 weken op de afdeling voor kinderpsychiatrie. Eindelijk kon ik praten over de trauma’s, tot in hoeverre dat lukte. Toch bleef ik voorzichtig. Ik was bang dat men mij niet zou geloven. Bang om afgewezen te worden. Daarna volgden nog enkele jaren vol opnames. Hier schrijf ik niet graag over omdat ze voor mij niet zo prettig waren. Ik strooi liever optimisme in het rond, dan dat ik pessimistisch blijf.

Gelukkig trof ik op mijn negentiende een psychologe die me begreep. Omdat ik dan volwassen was, voelde ik me veel autonomer en kon ik zélf beslissen wat er met mijn verhaal gebeurde. De eerste gesprekken bij de psychologe waren niet gemakkelijk. Ik probeerde de moeilijke onderwerpen te vermijden, en ging mezelf veel vrolijker voordoen dan ik was.

Nu ligt het eerste gesprek bij de psychologe vier jaar achter me. Het gaat beter met me. Ik ga niet zeggen dat alles al perfect gaat. Maar wat is perfectie, bestaat dat, en moet je dan per se perfect zijn. Voor mij is de middenmoot goed genoeg. Zo lang de diepe dalen afwezig zijn, ben ik al heel tevreden.

Het monster zit nog steeds in mijn hoofd, dat moet ik wel bekennen. Ook al ben ik nu getrouwd met de liefste van de wereld. Toch blijft het monster aanwezig. Het blijft vechten om mezelf niet meer te verwonden, maar het lukt. Mijn leven is er zoveel mooier op geworden, doorheen de jaren. Van een heel onveilige situatie naar een veilige thuis. Ik had nooit durven dromen dat ik ooit ging staan waar ik nu sta: getrouwd, aan het studeren, en met vele hobby’s.

Het is mogelijk, ook voor jou!

Ook jij kan ons je herstelverhaal of blog doorsturen op blog@verwonderd.be.