Laten we met de deur in huis vallen: ik ben kritisch. Tegenover mezelf vooral. Na een gesprek kan ik eigen woorden en daden urenlang analyseren in de zin van: ‘heb ik wel het juiste gezegd?’ Daarnaast ben ik de moraalridder en ethicus als het op eigen gedrag aankomt. Ik moet naar de normen die ik mezelf opleg handelen. Altijd goed doen. Voor iedereen. Dat is knap lastig. De innerlijke criticaster is doorheen de jaren al veel milder geworden. Steeds vaker leer ik ‘foert’ zeggen. Maar het blijft een kwetsbaarheid. Dat ik altijd goed wil doen, en daarbij mezelf soms vergeet.

Zo zeg ik soms afspraakjes last-minute af omdat ik last heb van vermoeidheid, de clusterhoofdpijn of omdat het gewoon niet gaat. En echte vrienden begrijpen dit wel. Desalniettemin voelt het vaak wel rot. Omdat ik dan niet handel naar wat voor een ander het best is, maar wel naar wat voor mezelf beter is: thuisblijven. En dat strookt niet met mijn wens, bijna dwang om voor de grote ander perfect te zijn.

Jarenlang heb ik mezelf weggecijferd. Ik was extreem perfectionistisch en legde mezelf lam door torenhoge eisen. Drieëntachtig procent op mijn eindwerk in het middelbaar was niet voldoende, ik wilde het opnieuw maken. Omdat ik het gevoel had niet perfect te zijn. Ook hier verlamde ik mezelf door de angst om niet voldoende te zijn. Om tekort te doen.

Meestal bezig zijn met ‘wat de mensen zouden denken.’ Toen ik in de kleuterklas per ongeluk een plastic mes stal -ik had het in mijn broekzak laten zitten na het spelen- heb ik nachtenlang wakker gelegen omdat ik dacht dat de juf me een dief zou vinden. Zo vroeg zat de kunst van het piekeren er al in. De vaardigheid van het loslaten, is nog steeds als een zaadje aan het ontspringen in mijn hoofd. Het komt wel met ouder te worden, die mildheid tegenover mezelf. Maar het blijft een kwetsbaar punt. Denken dat ik tekort doe. Tekort ben. Niet voldoende ben voor een ander.

Mijn studies in het hoger onderwijs zijn niet gelukt. Eerst studeerde ik journalistiek, daarna geschiedenis, en in beiden ‘faalde’ ik. Ik zet ‘falen’ tussen knoerten van aanhalingstekens omdat ik onwijs veel geleerd heb over mezelf tijdens die korte periode van studeren. Ik ben met mijn kop tegen de muur geknald, herhaaldelijk, en ik heb geleerd dat de druk van een hogeschool- of universiteitsstudie voorlopig nog te zwaar is voor me. Intellectueel lukt het. Maar zodra ik ‘moet’ presteren, leg ik mezelf lam. Ik heb mezelf vervloekt en gehaat om die ‘mislukte’ studies. Maar later ben ik gaan relativeren tegenover mezelf. Ik heb voldoende meegemaakt om even rust te verdienen. Om even op adem te komen. Dus ik zeg even ‘foert’. Hoeveel zeer het ook doet dat ik voorlopig nog geen diploma hoger onderwijs op zak heb.

Ik geraak er ook wel. En de innerlijke criticus daalt tot een aanvaardbaar niveau. Ik wil u hoop geven. Meer schuilt in u.

Nu zeg ik voor u allen luidop ‘foert’.

Met enige bibbering in mijn stem.

Maar het mag. ‘Foert’ zeggen mag.

Twee jaar en een half geleden wenste ik dat ik 2016 niet meer zou meemaken. Nu, in 2018, ben ik er nog steeds. Of ik blij ben dat ik er nog ben? Daar kan ik geen antwoord op geven. Of ik wil vechten voor mijn leven? Natuurlijk, opgeven staat niet meer in mijn woordenboek.

Ik ben Lot, een 17-jarig meisje. Zot van dieren, vooral paarden en honden, en creatief. Vaak denken volwassenen dat een persoon van 17 jaar nog niets heeft meegemaakt in zijn leven. “Het echte leven moet nog komen”, zeggen ze vaak. Mijn gevoel is anders, ik heb al te veel meegemaakt. Mijn hele geschiedenis is te lang en te gecompliceerd om hier neer te typen, maar er zijn toch enkele momenten die ik nooit meer zal vergeten.

Zo werd ik in november 2015 ‘gediagnosticeerd’ met een angststoornis, hoogbegaafdheid, hoogsensitiviteit en suïcidaliteit. Bovendien deed ik aan zelfbeschadiging en was ik extréém perfectionistisch. Medicatie werd opgestart en ik probeerde verschillende therapieën, maar durfde niemand in vertrouwen te nemen. Na het krijgen van mijn ‘diagnose’ veranderde dat. De therapeut waarbij ik de persoonlijkheidstesten aflegde, is tot op de dag van vandaag mijn reddende engel. Zonder haar zou ik hier niet staan. Jammer genoeg had ik in het begin nog veel problemen met communicatie. Ik zat in mijn eigen wereld waar niemand in kon doordringen. Het ging van kwaad naar erger. 26 februari 2016 werd ik opgenomen. Ik was niet meer veilig voor mezelf. Ik ging niet meer naar school. Mijn zelfbeschadiging werd steeds zwaarder en mijn ouders vertrouwden me niet meer.

Na mijn opname had ik het zwaar om terug in het normale ritme te raken. Ik raakte meerdere keren in het ziekenhuis ten gevolge van mijn zelfbeschadiging. Op school had Ik geen vrienden meer, want tijdens mijn opname waren er talloze verhalen over mij rondgegaan. Daarom besloot ik om van richting te veranderen. Die overgang deed me goed. Ik kon een nieuwe start nemen. Een jaar lang ging alles prima. De medicatie werd afgebouwd en ik moest slecht 1 keer per maand naar de therapie.

Totdat ik in het 6e middelbaar kwam en me dood verveelde. Al snel stak mijn angststoornis weer de kop op en ging ik niet meer naar school. Een crisisopname was nodig, maar daar bleef ik maar een dag, omdat ik niet openstond voor de opname. Sinds die dag probeer ik weer wat te maken van mijn leven. Ik ga weer voltijds naar school en ik blijf doorzetten. Ondertussen ben ik al enkele maanden vrij van zelfbeschadiging. Mijn angststoornis is voorlopig nog het grootste probleem. Daarom volg ik nu nog steeds intensieve gesprekstherapie en equicoaching. Ik neem nog steeds mijn medicatie, maar stap voor stap raak ik er wel. Raken we er wel, want samen staan we veel sterker. Deze website is hier het bewijs van en ik voel me dan ook zeer vereerd dat ik hier mag bloggen. Ieder van ons heeft een vechtertje in zich, daar ben ik zeker van. Mijn motto? You were given this life because you are strong enough to live it

Als dertienjarige begon ik mezelf te verwonden. Aanvankelijk waren de fysieke wonden die ik mezelf toebracht, nog niet zo 'ernstig'. Toch wil ik benadrukken dat de ernst van de -puur fysieke- wonden volgens mij weinig zegt over de ernst van het psychische leed dat eronder zit. Volgens mij is iedere zelfverwonding erg en serieus, ongeacht de diepte of ernst van de wonden. Hoe 'erg' de wonden zijn, zegt niets over de krassen en littekens op je hart.

Toch merkte ik in psychiatrie, voornamelijk in de diensten gespecialiseerd voor kinderen en jongeren, dat er toch een zekere competitie heerste op vlak van zelfverwonding. Het bracht een zekere status met zich mee. Moest je naar het ziekenhuis, dan kreeg je heel veel aandacht van medepatiënten. Soms ook van begeleiding. Moest je gehecht worden, dan hoorde je er echt bij. Dit gevoel heb ik toch bij m'n tijd op K-diensten. Dat er heel wat status samen hing met zelfverwonding. Als je 'het erg deed', dan hoorde je erbij.

Intussen was ik bijna zeventien en kon ik me toch distantiëren van het gebeuren. Ik had geen nood om erbij te horen, maar bij velen was dit anders. Enkele mensen begonnen zich te verwonden toen ze in psychiatrie waren, terwijl ze dit voordien niet deden. Ik vond dit altijd zo somber, dat die gave lijven vernield werden door deels competitiedrang, maar ook door de oorlogen in hun hoofd. Voornamelijk het laatste, denk ik. Maar de competitie van de 'diepste wonden' was vaak aanwezig. En er waren altijd enkele gevoeligere jongeren die weinig identiteit hadden, en van zelfverwonding hun identiteit gingen maken. Begrijpelijk. Niemand verblijft voor niets in kinderpsychiatrie.

Het is zeker niet m'n bedoeling om met de vinger te wijzen. Ik vind het nog steeds naar als ik eraan terugdenk. In psychiatrie viel een deel van je leven van je af. Enkel in het weekend kon je eens naar huis, maar dat was het. School viel weg, vriendschap viel vaak weg, een identiteit opbouwen net als andere pubers, viel ook weg. En dan bleef de destructie over. Bij de laatste instantie waar ik verbleef, was er naar mijn mening ook veel te weinig opvolging. De jongeren zaten 's avonds gewoon bij elkaar zonder begeleiding. En de gesprekken werden alsmaar destructiever.

Ik vind dit allemaal zo jammer. Ik wou dat er toen meer begeleiding was, dat minder jongeren zichzelf gingen verwonden eens ze in kinderpsychiatrie verbleven. Ik wou dat er in plaats van 'kamercontroles', bemoedigende gesprekken plaatsvonden over hoe het ànders kon. Beter kon. Het was zo naar om te zien hoe jonge mensen eronder door gingen, deels door groepsdruk, door erbij willen horen. Wat heel menselijk is op die leeftijd.

Intussen kan ik wel zeggen dat er veel veranderd is bij de instelling waarover ik het hier voornamelijk heb. Beleidsmatig is er heel veel veranderd. Maar toch vind ik het spijtig.

Ik wou dat het anders kon.

“We must take time to define our own path. Too quickly we can find the world defining it for us”

Het is officieel, warm weer, iedereen gaat buiten zitten, gezellig picknicken. Mensen zijn blij en vrolijk door deze prachtige dagen. Maar bij mij is dit anders. Ja, ik kom ontzettend graag buiten! Het geeft me ruimte om te ademen, ruimte om “ik” te zijn. Lange wandelingen, oortjes in, gedachten op nul. En gaan! Het is altijd zo geweest. En ik mis die tijden ook echt heel hard. Maar het ligt anders nu. Ik vind het lastig om steeds mezelf te “moeten” verstoppen. Waarom zet ik moeten tussen aanhalingstekens? Omdat het iets is dat ik van mezelf moet. Wat mijn omgeving ervan denkt zou me eigenlijk niks mogen schelen! Maar was het maar zo gemakkelijk. Ik ben mezelf als ik buiten ben, en toch blijft het kleine stukje knagen. Want je kan jezelf toch niet zijn als je je altijd voor alles en iedereen verbergt achter lange mouwen en lange broeken? Overal zeggen dat de warmte “wel meevalt” en dat je een “kouwelijke” bent. Het is een constante strijd tussen mijn monsters en mij. Ik zou heel graag eens gaan zwemmen, eens lekker genieten van dit weer. Maar dat is zo een strijd.  Want geef me eens een antwoord op de vraag die je duizend keer krijgt als je het niet verbergt. Namelijk: “Wat is dat/wat is er gebeurd? Of wil je er niet over praten?” Het is duidelijk dat die persoon het ergens wel weet, maar het niet uit durft te spreken. Of de “grapjes” die soms wel wat ongepast zijn. “Heb je ruzie gehad met de kaasschaaf?” Ik lach wel eens graag met mijn eigen problematieken, maar geef toe dat er een grens is. Het is vooral moeilijk om die grens te ontdekken. Want wat vind ik wel grappig, en een ander dan weer niet?

Met andere woorden, deze dagen zijn niet gemakkelijk. Ondanks ik opgenomen ben, en niet alleen buiten mag, doet het wel steeds zeer om mensen te zien genieten van dit weer. De zon op mijn gezicht geeft me een innerlijke rust. De helderblauwe lucht, de geur van de natuur. Ik hou er zo ontzettend van.

Ik merk dat ik mij daar alleen in voel. Terwijl ik wel weet dat er veel andere mensen ook met dit issue worstelen. Hoe langer ik me verberg, hoe moeilijker ik het vind om toch eens de stap te proberen zetten. Het verlangen naar de mooie lange zomeravonden en gezellige momenten blijft.

Maar ik weet ook wel dat het grootste deel in mijn handen ligt. Dat ik mijzelf moet leren aanvaarden hoe ik ben voor ik het van anderen kan verwachten. Maar die weg lijkt lang, en heel onbereikbaar. Ik moet de juiste “wandelschoenen” nog vinden om op dit pad te durven gaan.  Maar ik probeer. En dat is genoeg voor nu.

Kus

Margot

Er sloop een monster in mijn hoofd, zijn naam was zelfverwonding

Al vanaf mijn vijfde levensjaar sloop er langzaam aan een dier in mijn hoofd. Geen mooi en schattig dier, niet pluizig en lief. Het was een monster, een lelijk exemplaar dan nog, dat zich langzaam aan in mijn brein nestelde. Ik werd regelmatig getraumatiseerd. Hierdoor vertelde het monster me dat ik minder waard was dan mijn vriendjes in de lagere school. Minder waard was dan mijn broer en zus. Regelmatig voelde ik een heel lage zelfwaardering. En doorheen de jaren werd dit enkel erger.

Op mijn elfde namen mijn ouders me mee naar een psycholoog. Ik had last van woedeaanvallen en opstandig gedrag, en daar maakten mijn ouders zich zorgen over. Ik had een hekel aan psychologen, dacht dat enkel gekke mensen erheen gingen. Ik dacht dat ik compleet losgeslagen was, van lotje getikt. Een psycholoog? Ik? Dat kon toch helemaal niet waar zijn. Eenmaal ik in het kantoortje van de strenge man zat, speelde ik toneel. Niemand mocht weten wat mij overkwam. Het moest een geheim blijven. De psycholoog zag niet dat ik toneel speelde, ik verwijt hem niets, toneel spelen kan ik nu eenmaal goed. En hij zei dat er niets aan de hand was met me. Dat mijn ouders alleen wat strenger moesten zijn op me.

Intussen gingen de trauma’s verder. Tot ik dertien was. Na een traumatische gebeurtenis was ik helemaal ondersteboven. Het monster sprak me toe, zei dat ik mezelf opzettelijk moest verwonden. En dat deed ik. Eerst voelde ik me opgelucht. Maar al snel kwam het schuldgevoel. Ik wist niets af van zelfverwonding, wist niet dat andere mensen dit ook deden. Ik zweeg, verborg de wondjes onder lange mouwen en zei niets.

Zo is het enkele jaren verder gegaan. Ik kon de wonden goed verborgen houden, en niemand wist iets. Het snijden gaf me een gevoel van opluchting. Alleen duurde dat gevoel maar enkele minuten. Al snel kwam de zelfhaat, de schaamte, het schuldgevoel. Ik durfde er met niemand over praten en dat was erg eenzaam, misschien wel de meest eenzame periode van mijn leven.

Op mijn veertiende, in het derde middelbaar, werden de krassen op mijn arm toevallig ontdekt tijdens de praktijkles op school. Een medeleerling zag het en sloeg alarm bij de klastitularis. Zo kwam ik bij de leerlingenbegeleider terecht. En daarna bij het CLB. Hoe goed die mensen me ook probeerden te helpen, ik liet hun hulp niet toe. Het geheim van de trauma’s woog te zwaar. Ik wilde niet dat zij het wisten.

Een jaar later, op mijn vijftiende, werd ik voor het eerst opgenomen. Ik had nog nooit een psychiater van dichtbij gezien, laat staan een speciaal geval als deze. De man had alles wat je als leek van een psychiater zou denken. Zonderling. Ik verbleef 18 weken op de afdeling voor kinderpsychiatrie. Eindelijk kon ik praten over de trauma’s, tot in hoeverre dat lukte. Toch bleef ik voorzichtig. Ik was bang dat men mij niet zou geloven. Bang om afgewezen te worden. Daarna volgden nog enkele jaren vol opnames. Hier schrijf ik niet graag over omdat ze voor mij niet zo prettig waren. Ik strooi liever optimisme in het rond, dan dat ik pessimistisch blijf.

Gelukkig trof ik op mijn negentiende een psychologe die me begreep. Omdat ik dan volwassen was, voelde ik me veel autonomer en kon ik zélf beslissen wat er met mijn verhaal gebeurde. De eerste gesprekken bij de psychologe waren niet gemakkelijk. Ik probeerde de moeilijke onderwerpen te vermijden, en ging mezelf veel vrolijker voordoen dan ik was.

Nu ligt het eerste gesprek bij de psychologe vier jaar achter me. Het gaat beter met me. Ik ga niet zeggen dat alles al perfect gaat. Maar wat is perfectie, bestaat dat, en moet je dan per se perfect zijn. Voor mij is de middenmoot goed genoeg. Zo lang de diepe dalen afwezig zijn, ben ik al heel tevreden.

Het monster zit nog steeds in mijn hoofd, dat moet ik wel bekennen. Ook al ben ik nu getrouwd met de liefste van de wereld. Toch blijft het monster aanwezig. Het blijft vechten om mezelf niet meer te verwonden, maar het lukt. Mijn leven is er zoveel mooier op geworden, doorheen de jaren. Van een heel onveilige situatie naar een veilige thuis. Ik had nooit durven dromen dat ik ooit ging staan waar ik nu sta: getrouwd, aan het studeren, en met vele hobby’s.

Het is mogelijk, ook voor jou!

Sometimes the things you can’t reach, are the things you want most.

Meer dan een jaar geleden besloot ik om een punt te zetten achter mijn zelfverwonding. Ik besefte dat het genoeg was geweest, dat het anders kon, dat ik dit niet verdiende. Dat ik andere manieren zou vinden om met mijn pijn om te gaan. Na meer dan 10 jaar was het plots gedaan. Ik had geen vertrouwde methode meer om naar terug te grijpen, ik moest op zoek gaan naar nieuwe manieren. De eerste dagen lukte het goed. De eerste weken nog beter. Na de eerste maand was ik fier, trots, gelukkig, ik kon dit echt aan!

Tot na een maand of 3-4 een einde kwam aan de illusie. Stressvolle weken, mood-swings, negatieve gedachten, en ga zo maar door. Tientallen, honderden keren heb ik geprobeerd om op andere wijzen invulling te geven aan hetgeen ik het meeste wou. Ik schreef mijn gevoelens neer, ging uren huilend onder de douche staan, ging wandelen in de buitenlucht, keek dagen lang naar series en focuste me daarop. Gaandeweg heb ik me er door geloodst, heb ik niet toegegeven aan de drang, de nood. Maar in plaats van euforie, voelde ik gemis. Ik besefte dat het nooit meer hetzelfde zou zijn.

De maanden hierop werden dan ook mentaal ontzettend zwaar. Steeds meer was het in mijn gedachten, steeds vaker had ik het mentaal moeilijk, voelde ik me zwaar, leeg, depressief. Nog steeds, tot op de dag van vandaag. Ik gaf niet toe, al was het reeds ontelbare malen zeer moeilijk. Ik voelde me terug gekatapulteerd in de tijd.

Soms beeld ik me in hoe het vroeger was, en probeer ik op die manier bij het gevoel te komen. En hoewel ik mezelf nog niet bewust opnieuw heb gesneden, betrapte ik mezelf erop dat ik wel terug van kleinere zaken geniet, zaken die niet goed zijn. Een blauwe plek door het stoten tegen een tafel, een kras op mijn been van de nagels van mijn huisdier, een kind dat net iets te hard aan mijn haren trekt. Het lijken zo’n banale dingen, dingen die iedereen dagelijks meemaakt. En toch voel ik hiervoor schaamte want ik geniet van deze zaken, ik geniet ervan dat dit soort zaken me terug rust geven. En toch kan ik mezelf niet inhouden om bij het opkomen van bijvoorbeeld een paniekaanval, even op de pijnlijke plaats te duwen, en zo terug een goed gevoel te krijgen, een gevoel van rust.

Ik ben niet goed bezig, dat besef ik maar al te goed. Maar op dit moment is het dit of er onderdoor gaan en terug staan waar ik jaren geleden stond, verslaafd aan automutilatie. Want mentaal ben ik op. Stress, geen zelfvertrouwen, weinig reserves, dagelijkse negatieve commentaren, mezelf veel te veel aantrekken van wat anderen denken,… Ik ben het gewoon moe om altijd een glimlach te blijven toveren op mijn gezicht, om te slikken wat mensen boven mij me opdragen, om neergehaald te worden. Ik ben het moe om erover te praten, om te blijven vechten, dag na dag, uur na uur, minuut na minuut.

Ik wil gewoon weer even mijn stress kwijt, weer controle voelen en mezelf mentaal opladen. Maar de enige manier waarop dit kán, is niet meer mogelijk, wil ik mezelf niet meer aandoen, dit heb ik mezelf beloofd. Ik realiseer me nu dat ik niet alleen een verslaving had, maar nog steeds verslaafd ben. Een realisatie waar ik moeilijk mee kan omgaan, maar die ik onder ogen moet durven nemen. Ik ben – nog steeds – verslaafd, en heb nog een lange weg te gaan…

Life is heavy, and I have lost my strenght.

“You can’t change your situation, the only thing you can change is how you chose to deal with it.” 
4 uur. Zolang heb ik me kapot gehuild na een promo reclamefilmpje van “Rode Neuzendag 2016”. Begrijp me niet verkeerd. Ik steun het initiatief voor de volle 100%. Aandacht voor psychische problemen is zeker nodig in deze maatschappij. Nog veel te veel is een taboe. Maar toe ik het filmpje zag over Laure die reeds 2 jaar aan zelfverwonding doet, kon ik niet anders dan huilen. Ik huilde niet van medelijden, niet van “ochere dat meiske”, maar ik huilde van woede. 

Ik was die dag al opgestaan na een nacht vol draaien en keren. Elk uur van de klok had ik gezien. Het was een nacht geweest vol vechten tegen mezelf, om toch maar niet toe te geven aan mijn drang. Ik stond uitgeput op. En dan ga je naar beneden, zet je de TV aan, en zie je datgene waar je de hele nacht voor gevochten hebt zo uitgebeeld voor je neus verschijnen. Hoelang ik naar het scherm heb staan staren, ik heb geen idee. Een halfuur? Het zal zoiets geweest zijn. En na het staren, kwamen de eerste tranen, samen met de harde werkelijkheid. Ik was jaloers (en ben hier helemaal niet trots op). Jaloers op hoe zij na 2 jaar de aandacht en de hulp krijgt die ik ook verdiende. Op hoe zij de verlossing voelde. Maar al snel werd deze jaloersheid vervangen door kwaadheid.
 
Hoe kan het dat een initiatief die zo hard inzet op aandacht voor psychische problemen, deze problemen zó letterlijk in beeld brengt? Ik was na het zien van het filmpje enorm getriggerd. Want als snel namen de tranen van wanhoop de tranen van kwaadheid over. Ik ben voor mijn televisie in elkaar gezakt. Ik beval mezelf om daar te blijven zitten. Had ik opgestaan, dan had ik mezelf sowieso verwond. 


4 uur later raapte ik mezelf weer bij elkaar. Ik was kapot, volledig uitgeput. Ik ben de rest van de dag in de zetel gaan liggen en ben er niet meer uit geweest. Het duurde 3 weken voor ik terug naar de televisie wou (én kon) kijken. 3 volle weken had ik angst om terug op datzelfde filmpje te botsen. Ik blokkeerde ook meteen al het nieuws over Rode Neuzendag. Ik ontvolgde alles op social media, zette de radio niet meer aan. 


Twee maand later kan ik het nog steeds niet, kijken naar hun acties op TV. Ik heb enorm veel respect voor de organisatie, maar volgend jaar mogen ze voor mij twee keer nadenken over hoe ze de zaken in beeld zullen brengen… 
“Perhaps our eyes need to be washed by our tears once in a while, so that we can see life with a clearer view again.”

“You never know how strong you are, until being strong is the only choice you have.” 
Ik kan moeilijk praten over mijn zelfverwonding. Niet omdat ik me schaam of omdat ik schrik heb. Nee, het probleem ligt daar niet. Het probleem ligt in het fysieke, zichtbare aspect. Want wanneer mensen horen dat je aan zelfverwonding doet, verwachten ze automatisch dat je vol staat met zichtbare littekens. 


Terwijl de mensen zouden moeten beseffen dat niet het litteken het probleem is, maar de onderliggende redenen. Achter één litteken zitten honderden, duizenden gedachten. Er zijn ontelbaar veel tranen gevloeid. Er zijn momenten geweest van hulpeloosheid, van angst, eenzaamheid. Verdriet. Waarom ik? Waarom opnieuw? Slapeloze nachten, dagen van onzekerheid en onrust. Ik kan nog wel even doorgaan. 


Over een periode van 10 jaar heb ik mezelf verwond. Ik begon toen ik 12 jaar oud was en deed het de laatste keer nét voor ik 22 werd (enkel maanden geleden). De manieren waarop doe ik hier niet uit de doeken, maar het zijn er meer dan ik op mijn hand kan tellen. En toch heb ik niet veel littekens. Maar diegene die er wel zijn, die hebben mij én mijn ziel getekend voor het leven. 


Ik ben altijd alleen geweest met mijn zelfverwonding. De enkele vrienden die ik had waren op de hoogte, maar lieten me gewoon begaan. Mijn ouders ontdekten het één keer op mijn 14 jaar. “Doe dit nooit meer, beloof je het?”. Ik hoor mezelf nog steeds “Ja, ik beloof het.” zeggen. Had ik me toen maar aan mijn woord gehouden. Of nee, had er toen maar iemand hulp gezocht voor én met mij. Alles bleef aanslepen, tot ik afgelopen jaar via een fandom van een serie andere mensen uit andere landen leerde kennen. 


Het kunnen praten in het Engels – en misschien ook de anonimiteit - was voor mij de grote doorbraak om mijn verhaal te beginnen delen. Ik kreeg – of liever krijg – het woord zelfverwonding amper over mijn lippen. Ik weet niet hoe het komt, maar elke keer krijg ik een krop in mijn keel en breekt er iets in mij. Maar in het Engels heb ik dit niet. Self-harming klinkt voor mij ook zoveel mooier, zachter. Door mijn verhaal te delen, en met andere in gesprek te gaan, zette ik uiteindelijk vorig jaar zélf de stap naar therapie. Een stap die mijn leven veranderde. 


Op het moment dat ik dit schrijf is het een half jaar geleden dat ik mezelf voor het laatst verwondde. Maar er gaat geen dag voorbij zonder ik hieraan denk. Daarom besloot ik om mijn verhaal, mijn gedachten en gevoelens, te delen op deze blog. Een verwerkingsproces voor mij. Misschien – en hopelijk – een steun voor anderen. 


“Don’t be ashamed of your story. It will inspire others…”
 

Soms is het tijd voor een nieuw moment, voor een nieuw leven, voor nieuwe keuzes. 
Het schooljaar lijkt daar bij mij altijd het ideale moment voor. Ik zit vol ideeën en ik bruis van de plannen. 
 
Maar bij elke nieuw begin hoort een einde van iets ouds.Afscheid van vriendinnen die misschien niet mee over gaan. Afscheid van je vakantielief. Afscheid van het leuke kamp dat je deze zomer meemaakte. Maar ook afscheid van de mooie zomerdagen waarbij je met een wijntje op het terras kon zitten.Of afscheid van je oude collega’s als je een nieuwe job begint. 
 
Ik vind afscheid nemen alvast niet gemakkelijk. Het is een opeenstapeling van lastige emoties en ik kan daar zelf niet altijd goed mee overweg. Hier alvast een paar tips. 
 
Voor mensen die aan zelfverwonding doen is het vaak niet zo gemakkelijk om emoties te voelen en te uiten op een andere manier dan door zelfverwonding. Dat is bij mij niet anders. De laatste tijd leer ik veel van ACT (acceptance and commitment therapy) waarin ze je aanraden om je emoties te voelen en ook echt bij je emoties en in het moment te blijven. Als je je emoties wegduwt, worden ze eigenlijk alleen maar erger.Probeer ze niet te vermijden. Probeer maar eens om 5 minuten niet aan een roze olifant te denken. Wedden dat je er juist wel aan denkt? 
Het is dus belangrijk dat je je emoties toestaat en dat je ze op een constructieve manier uit. Huil uit bij een goede vriendin, ga wandelen of sporten, kijk naar een verdrietige film of probeer op een andere constructieve manier je emoties te uiten. 
 
Kijk terug op de fijne momenten en wees er dankbaar voor. Maak een boekje waarin je al je fijne momenten opschrijft en blader er regelmatig eens door. Luister naar muziek die je associeert met een bepaalde periode of een bepaald persoon. 
 
Zoek steun bij anderen. Praat met de mensen die je willen en kunnen steunen. Zeker de eerste periode na een lastig afscheid, kan je misschien afspreken met vrienden en vriendinnen om de dagen door te komen. Zorg dat er altijd iemand is waarbij je terecht kan op moeilijke momenten, zelfs al is het 's morgensvroeg. Als je met niemand kan of durft praten, kan je misschien wel terecht bij een hulpverlener. 
 
Blijf goed voor jezelf zorgen. Voor mensen die aan zelfverwonding doen, is het vaak gemakkelijk om te verzinken in een patroon waarbij er niet meer voor je zelf gezorgd wordt. Dit geldt zowel op emotioneel als op fysiek gebied. Zorg een beetje beter voor jezelf dan je anders zou doen, houdt structuur aan, blijf eten, ga op tijd slapen en zo verder. Jij moet in eerste plaats voor jezelf zorgen! De rest komt daarna wel. 
 
Ook ik sta binnenkort voor een nieuwe uitdaging op het gebied van afscheid nemen en dan vooral op gebied van therapie. Ik vind het best moeilijk, maar ik ben er van overtuigd dat als ik bovenstaande tips meeneem ik er wel door kom.

Door Plectrude 

We gaan het samen aan. Ik laat je niet los.” Deze woorden werden uitgesproken door mijn psycholoog op een moment dat ik het heel moeilijk had. De woorden creeërden verbondenheid op een moment dat ik dat eventjes niet meer kon voelen. Het ging niet goed en ik stond op het randje van een opname. 
Maar ik was niet alleen. Ik was samen. Hij hield zijn woord. Elke dag opnieuw zaten we eventjes samen om te bespreken hoe het ging. Elke dag opnieuw maakte hij eventjes tijd om te luisteren, om knopen te ontwaren en om weer hoop te installeren waar ik alle hoop kwijt geraakt was. Elke dag opnieuw toonde hij betrokkenheid bij mij en mijn situatie. 

Beetje bij beetje kon ik het weer voelen. Ik voelde de verbondenheid niet meer alleen bij mijn psycholoog, maar probeerde het ook weer te installeren bij Manlief. We bespraken samen met de psycholoog mijn signaleringsplan. We bespraken het al dan niet bespreken met elkaar van moeilijke onderwerpen. We leerden weer in elkaar vertrouwen door middel van het signaleringsplan en we spraken af dat Manlief mag ingrijpen op momenten dat hij de signalen uit mijn signaleringsplan ziet en herkent.

De verbondenheid met mijn psycholoog en Manlief zorgde ervoor dat ik ook weer verbondenheid kon voelen met mezelf en met een hele hoop anderen. Het is deels dankzij de betrokkenheid van mijn psycholoog en die anderen dat ik een opname kon vermijden en dat ik weer verder kan met mijn leven. Ik voelde me vastgehouden op een moment dat ik zelf uit elkaar viel. 

Voor mij is het belangrijk geweest om me verbonden te voelen en te leren voelen. Pas op dat moment kon ik de keuze maken mezelf niet meer te verwonden. Ik moest niet meer praten met mijn lichaam om te zeggen dat het niet meer ging. Ik vond de woorden om te zeggen: “Het gaat niet goed.” Soms moet ik zelfs dat niet meer zeggen, maar kunnen anderen het afleiden uit een blik, mijn gedrag en uit hetgeen ik juist niet uitspreek. 
Ik hoop dat jij je ook verbonden kan voelen met een ander. Ik hoop dat jij ook de verbondenheid met een ander kan toestaan. Ze is er vast ergens. Bij een (beste) vriendin, je ouders, je partner, je psycholoog of een lotgenoot van Verwonderd. Je bent niet alleen. Nooit.

Door Plectrude 

Ook jij kan ons je herstelverhaal of blog doorsturen op info@verwonderd.be.